Plato's metafoor van de grot

Een kernstuk van Plato's filosofie is zijn vergelijking van de grot (in 'De Staat'). Het gaat zo:

In een grot zit een aantal mensen vastgebonden met hun gezicht naar de wand die van de ingang is afgewend. Ze zitten zo vast dat ze zich niet kunnen omdraaien, ook hun gezicht niet.
Zo zitten ze al hun hele leven en ze hebben dus geen weet van wat zich achter hen en buiten de grot bevindt. Er bestaat voor hen überhaupt geen 'buiten de grot'.
Op de wand zien zij schaduwen bewegen waarvan ze de oorsprong dus niet kennen (de vraag naar een oorsprong komt überhaupt niet in hen op). En tegelijkertijd horen ze geluiden. Er is geen dag en nacht, geen binnen en buiten.

Dan, op een dag (die voor hen niet een 'dag' is), wordt een van hen losgemaakt en mee naar achteren genomen. Voor deze persoon ontstaat er een nieuwe wereld. Eerst wordt hij verblind en ziet niets meer. Dan langzaam wennen zijn ogen aan het licht en ontwaart hij iets van de buitenwereld. Hij begint mensen en dingen te zien, en de natuur, en iets dat de bron van alle licht lijkt te zijn, de zon.

Die persoon weet nu: de schaduwen op de wand komen door projecties van achter de gevangenen. De geluiden ook. En de projecties zijn mogelijk dankzij het zonlicht dat door de grotingang de grot binnen komt.

En hij weet nu ook: alles is zichtbaar dankzij de zon - en dankzij onze ogen die zo gemaakt zijn dat ze het zonlicht kunnen opvangen en verwerken. (En wat Plato kennelijk nog niet wist: alles is hoorbaar dankzij de lucht - en dankzij onze oren die de geluidstringelingen kunnen opvangen). De zon is niet alleen de bron van het zichtbare, maar ook de bron van vruchtbaarheid; dankzij de zon kunnen de gewassen groeien en vrucht dragen.

Wanneer die persoon weer teruggebracht wordt naar de grot, moet hij eerst weer zijn best doen om aan de duisternis te wennen, dat wil zeggen om zich te verplaatsen in het beperkte perspectief. Dan wil hij de anderen vertellen wat hij nu ervaren heeft. Maar ze geloven hem niet. Ze begrijpen überhaupt niet wat hij zegt; het is allemaal onzin.

Dit hele verhaal van de mensen in de grot is een metafoor. Wat zegt deze metafoor? Ten eerste is dit het verhaal van de toevallige beperktheid van onze waarneming en ervaring. Wat we waarnemen en ervaren houden we voor waar, terwijl we het
in een heel bepaald en beperkt perspectief waarnemen. De toevalligheid en beperktheid van het perspectief zijn we ons echter niet bewust. Pas wanneer we - met een zeker geweld - uit dit perspectief gehaald worden en in een nieuw perspectief geplaatst, ervaren we dat we in een (bepaald) perspectief verkeerden.

Maar er is meer. Plato gebruikt de metafoor om menselijk inzicht te vergelijken met de zon. Wij mensen hebben zoiets als de zon in onze hersenen: iets dat licht doet schijnen op allerlei kwesties. Denken is: je licht doen schijnen op kwesties. Normaliter zien we de wereld niet in het volle licht van ons verstand, maar in het indirecte licht van bepaalde projecties. Filosoferen is inzien dat ons verstand zo werkt en proberen de wereld in het directe licht van ons 'inzicht' te plaatsen.

Typisch voor Socrates dat hij dit inzicht niet verkondigde als een ware theorie. Nee, steeds weer opnieuw, wanneer hij met iemand in gesprek was bij wie hij zo'n onbewust perspectief vermoedde, probeerde hij die ander ertoe te verleiden diens eigen perspectief te bevragen. Zodra het lukte de ander zichzelf te laten bevragen, was deze gesprekspartner reeds op weg zijn vanzelfsprekende perspectief te verlaten. Op de lange duur blijkt dit voor veel mensen echter (te) moeilijk.

Sceptische filosofie

Scepsis is in de filosofie: twijfel aan de waarheid van een bewering. Het is niet hetzelfde als scepticisme. Scepsis is een houding, terwijl scepticisme een overtuiging of theorie is. De Grote Van Dale zegt over de betekenis van scepticisme: “richting in de wijsbegeerte die ervan uitgaat dat de mens niets met zekerheid kan weten”. Scepsis was een belangrijk aspect van Socrates’ filosofische interventies. Wanneer hij iemand ontmoette met een stellige mening (vooral over ‘metafysische’ onderwerpen, die we niet zo maar op grond van onze zintuigen kunnen kennen), wilde hij weten waarom die mening waar zou zijn. Socrates probeerde de ander ertoe te verleiden diens eigen waarheidsclaim kritisch te onderzoeken.

Semantische aura

Met de term 'semantische aura' duid ik op de filosofische ervaring te leven in een 'wolk' van betekenissen, waarden en verklaringen. Het is de ervaring van het verschil tussen enerzijds onze verhalen van de werkelijkheid en anderzijds deze werkelijkheid zelf. Albert Camus noemde het 'het absurde': de ervaring dat de werkelijkheid die we ervaren niet overeenkomt met onze visie van de werkelijkheid. Camus wilde de spanning van deze kloof tussen de ongrijpbare werkelijkheid en het beeld van de werkelijkheid vasthouden en niet toegeven aan toch weer een visie. Ik vind dat een mooi streven, maar denk niet dat we kunnen leven zonder visies, zonder 'wolken' van betekenissen, zingeving, waardetoekenning en verklaringen. We kunnen niet anders dan in een semantisch aura leven. (Ook Camus' idee van het absurde is een semantisch wolkje, evenals zijn voornemen om niet meer tot welke theorie dan ook te vervallen.) Wel kunnen we proberen ons hiervan bewust te zijn, daardoor bescheiden in onze meningen, en de semantische aura zo transparant mogelijk te maken.