De kern van ubuntu

In alles wat ik over ubuntu lees, ligt steeds de nadruk op menselijkheid. Het wordt gepresenteerd als een moreel principe: ‘jouw menselijkheid bestaat erin dat je de menselijkheid van anderen (h)erkent’. Dit associeert met: respect, gastvrijheid, zorg, gezamenlijkheid, e.d.

Deze morele en sociale levensvisie bevat een opvatting van ‘persoon’ die contrasteert met de visie op persoon en individu zoals die in het Westen met name sinds de Verlichting populair is. In de ubuntu-visie ben je een persoon door deel te nemen aan de gemeenschap. Ik-zijn betekent dus wij-zijn. Het Moderne Westerse individu identificeert zich juist los van de gemeenschap als een zelfstandig wezen (in-dividu, ongedeeld en op zichzelf). De gemeenschap ontstaat vanuit de individuen, doordat zij onderling een contract aangaan (Spinoza; Rousseau).

Het Westers individu is dus niet per definitie a- of anti-sociaal. Het sociale komt tot stand per contract, en is daarmee dus niet vanzelfsprekend (wat tegenwoordig in de massa-samenleving dan ook een probleem vormt). Het sociale contract is geïnstitutionaliseerd in wetgeving, beroepsgroepen en sociale instituties.

Bij Ramose vinden we de sociaal-morele duiding van ubuntu ook nadrukkelijk terug. Echter, daarnaast legt hij grote nadruk op het religieuze aspect van de voorouderverering, de ‘levende doden’. Juist in deze context schrijft hij kritiekloos over mannen- en vrouwenbesnijdenis. Ik zie geen reden om aan te nemen dat besnijdenis persé een acceptabele praktijk is in de ubuntu-levensstijl. Ik schrijf het dus op Ramose’s conto.

Geschiedeni van ubuntu

Mijn bron is de Engelse Wikipedia. De term ubuntu zou in Zuid-Afrikaanse bronnen voorkomen sinds de helft van de 19de eeuw. Grammaticaal combineert het woord de wortel -ntu (persoon, menselijk wezen) met het voorvoegsel ubu-. Dit voorvoegsel maakt van het woord waar het voorstaat een abstract zelfstandig naamwoord. Dus betekent ubuntu mensheid.

Sinds de jaren 1950 werd de term populair als een filosofie of wereldbeeld, met name in de geschriften van Jordan Kush Ngubane in het tijdschrift African Drum.
Vanaf de jaren 1970 begon men ubuntu te beschrijven als een specifiek soort Afrikaans humanisme. Dit gebeurde in de context van de dekolonisatie resp. Afrikanisering die sinds de jaren 1960 plaatsvond.

In 1980 verscheen de eerste publicatie die gewijd was aan ubuntu als een filosofisch concept: ‘Hunhuism or Ubuntuism: A Zimbabwe Indigenous Political Philosophy’. Het ging hier om een politieke ideologie voor het nieuwe Zimbabwe (v/h Rodesië).

In de jaren 90 werd het concept overgenomen in Zuid-Afrika als richtinggevend ideaal voor de overgang uit de Apartheid. De term ubuntu komt voor in de Interim Constitutie van Zuid-Afrika (1993): ‘er is behoefte aan begrip maar niet aan wraak, een behoefte aan herstel maar niet aan vergelding, een behoefte aan ubuntu maar niet aan slachtoffering’.

Filosofisch lezen (2)

Gisteravond kwamen we in de Maasniel-groep te spreken over ‘lezen zonder te oordelen’. Het was bij de passage over besnijdenis en clitoridectomie. Ramose schrijft er kritiekloos over. Hij vertelt ons dat het hier om rituelen gaat die in de Afrikaanse cultuur cruciaal zijn om als kind opgenomen te worden in de gemeenschap. Het bloedoffer aan de ‘levende doden’ maakt van het kind, dat tot dat moment nog ‘het’ is, een persoon, dat wil zeggen lid van de gemeenschap. Zonder dit ritueel zou het kind geen persoon worden, geen lid van de gemeenschap. Het wordt opgenomen in zowel de gemeenschap der levenden als de gemeenschap der 'levende doden'.

Onze automatische reactie is afschuw, of op zijn minst onbegrip. In onze ‘culturele genen’ zit die afschuw evenzeer verankerd als de vanzelfsprekende waardering voor het ritueel in de Afrikaanse culturele genen (afgaande op Ramose).

Filosofisch lezend, is het de uitdaging je die rituele initiatie voor te stellen en je erin in te leven, zonder erover te oordelen. Pas dan ben je in staat Ramose en Ubuntu serieus te nemen. Deze filosofische distantie en dit filosofische begrip betekenen niet dat je, zodra je het boek weer hebt dichtgeslagen, ook instemt met die rituelen. Filosofische aandacht is een ontmoeting, een moment, waarin je respect en begrip opbrengt. Als je Ramose’s toelichting op de context en de redenen van besnijdenis en clitoridectomie op die manier filosofisch leest, heb je je in ieder geval verplaatst in die cultuur en recht gedaan aan wat hij ons te vertellen heeft.

Tenslotte, ook onze culturele waarden zijn slechts een verhaal, ook al zitten ze ‘in onze genen’. Vanuit een filosofisch (buiten-)standpunt gezien: waarom zou ons verhaal beter zijn dan het hunne? Nogmaals, deze relativering betekent niet dat wij niet in onze waarden zouden moeten geloven. Maar de relativering maakt ons standpunt wel minder absoluut. Gezien de koloniale en imperialistische geschiedenis van onze cultuur kan dat wellicht geen kwaad.

PS. In de traditie van de Westerse filosofie heet die filosofische onthouding van een oordeel met een Grieks woord ‘epochè’ (εποχή). Een eeuw geleden heeft Edmund Husserl deze techniek nieuw leven ingeblazen als ‘fenomenologische reductie’: een fenomeen waarnemen door alles wat je er reeds van vindt (of denkt te weten) even buiten haakjes te plaatsen, zodat je beter kunt waarnemen en meer recht kunt doen aan wat je waarneemt.
In de boeddhistische traditie is ditzelfde bekend als za-zen, zen-meditatie.


Ritme en melodie

Ramose noemt (Afrikaanse) muziek de dans van het zijn (p. 40). Zodra een Afrikaan muziek hoort gaat hij of zij dansen. Anders dan Westerlingen, laat Ramose niet na op te merken (hoewel, moet hij toegeven, ze ook op popmuziek en reggae dansen).
Ramose legt de nadruk op het ritmische van Afrikaanse muziek. De drums zijn het hart van de muziek: het zijn beweegt, het zijn danst.

Als we zijn woorden over dans en ritme verbinden met wat hij zegt over abstractie, moet je waarschijnlijk stellen dat de Afrikaanse muziek concreet is, in de aarde wortelt, levende en geleefde ervaring is.

Luister je echter naar opnamen van traditionele Afrikaanse liederen, dan valt het melodieuze op. Inderdaad is er het sterk aanwezige en gestage ritme. Maar vanuit deze aardse bodem stijgen stem en snaarinstrumenten omhoog. Als het ritme aards en concreet is, dan is de melodie hemels, abstract.

De Westerse klassieke muziek is een cultivering en verfijning van de omhoog bewegende kracht van de melodie. Inderdaad, 'omhoog bewegen': het is een motorisch en energetisch gebeuren. Een bewegen dat van de maat en het ritme loskomt. Op gevaar af, dat de omhooggaande beweging de bodem verliest - en daar kan het misgaan in de Westerse cultuur.

Twee voorbeelden van Afrikaanse traditionals op Youtube:

Traditionele Afrikaanse Negeriaanse muziek van de Yoruba stam

Sona Jobarteh & Band - Kora muziek uit West-Africa

Filosofisch zelfbewustzijn

Als gevolg van mijn filosofische vorming kan ik Ramose’s boek niet anders lezen dan met een filosofisch zelfbewustzijn. Dat wil zeggen: ik lees geen objectieve waarheden (‘ontologie’), maar beweringen over de werkelijkheid die voor waar worden gehouden.

De eerste denkers met filosofisch zelfbewustzijn die we in de Westerse traditie kennen, zijn Socrates en sofisten als Gorgias. Filosofisch zelfbewustzijn wil zeggen: terwijl je beweringen doet over de werkelijkheid, besef je dat je iets construeert met woorden, met taal, en dat dit niet hetzelfde is als (de waarheid van) de werkelijkheid. Daarom daagde Socrates iemand met een overtuigde mening uit om die de waarheid van die mening te onderzoeken.

Ook in de Aziatische traditie heeft zich, in diezelfde eeuwen vòòr onze jaartelling, filosofisch zelfbewustzijn ontwikkeld: bij Gautama de Boeddha en bij Lao-ze.

In de Europese traditie heeft in de 17e eeuw Descartes opnieuw filosofisch zelfbewustzijn ontdekt resp. tot stand gebracht, in zijn zogeheten ‘filosofische meditaties’.

Bij Ramose lees ik weliswaar dat in de Ubuntu-filosofie waarheid door mensen gemaakt wordt, maar toch uit Ramose in naam van Ubuntu beweringen over het zijn, de mens, de mensengemeenschap, moraal, religie, recht, etc etc. Hierbij mis ik filosofische zelfreflectie. De gevolgen daarvan zie je wanneer hij een profiel van Ubuntu schetst door een karikatuur van de Westerse filosofie voor te schotelen. Ik ben het eens met Linda Lenssen (zie
haar bijdrage aan deze blog) wanneer zij opmerkt dat het meer Ubuntu zou zijn, wanneer hij de Westerse cultuur niet had buitengesloten.

Interessant in dit verband is de manier waarop Ramose ‘epistemologie’ (kennisleer) bedrijft. Deze is bij hem niet kritisch in bovengenoemde zin, maar eigenlijk een soort zijnsleer: zó IS kennis; de mens IS een wezen dat de werkelijkheid onderzoekt en kent, etc.

Ja, hoe kun je een zijnsleer (‘de werkelijkheid IS zó!’) formuleren wanneer je van mening bent dat de werkelijkheid niet te fixeren is, niet een afgebakend geheel maar een ongrijpbare heel-heid, een voortdurend worden? Ja, zijn deze kenmerken al niet te veel, als je zegt dat de werkelijkheid (Ubuntu) niet gekend kan worden? Als ze onkenbaar is, waarom zou ze dan niet juist wel stabiel en vast zijn?

Ramose schippert tussen Ubuntu als levensopvatting, dus cultureel gezien willekeurig, een culturele keuze enerzijds en Ubuntu als objectieve waarheid, als ontologie, anderzijds.

Terwijl ik verder kom in Ramose’s boek, probeer ik Ubuntu te begrijpen ondanks de ‘ontologische’ manier waarop hij dat presenteert. Ik probeer me in te voelen in
hoe je in een Ubuntu-cultuur in de wereld aanwezig bent, hoe je die beleeft en hoe je je door de werkelijkheid beweegt.

Abstractie en geweld

We weten ondertussen dat Ramose het ‘stromende’ (‘wordende’) en de ‘heel-heid’ van de Ubuntu-levensfilosofie profileert door het af te zetten tegen wat hij typisch Westers noemt: 'stilzetten' en ‘fragmenteren’. Hij benadrukt dat de fragmenterende Westerse geest reeds met de Westerse talen gegeven is.
In het hoofdstuk over ‘recht’ koppelt hij zijn kritiek expliciet aan het abstraheren.

‘Het juridische denken in het Westen kent het primaat toe aan het concept “rechtspersoon”, een abstracte entiteit. De Afrikaanse rechtsfilosofie daarentegen vat de persoon op als een levende en geleefde ervaring.’ (P.81)


De ‘persoon als een levende en geleefde ervaring’ is kennelijk concreet.
Maar wat betekenen abstract en concreet hier? Ramose bedoelt met ‘abstract’ kennelijk vooral zoiets als: iets of iemand losmaken uit zijn natuurlijke context. En dat is gewelddadig.

'De dominante rol van de taal, vooral ion het Westen, kan een verleidelijke of gewelddadige inbreuk op de gestage stroom van de werkelijkheid worden genoemd. Hierdoor raakt de stroom gefragmenteerd, zodat de heel-heid uiteenvalt in abstracte of concrete entiteiten waaraan een zelfstandig, blijvend en onveranderlijk bestaan wordt toegekend.’ (P.82)


Is het zo, dat de Afrikaanse rechtspersoon, zoals Ramose die kenschetst, niets abstracts in zich heeft? Wanneer hij schrijft: ‘de persoon als een levende en geleefde ervaring’ staat daarbij: ‘de Afrikaanse rechtsfilosofie vat de persoon op als ... ’. Het gaat hier om een opvatting. Kennelijk wordt in de praktijk van het Ubuntu-recht een persoon als zus en zo beschouwd, gedefinieerd. Het is een culturele abstractie van een mens van vlees en bloed. In die culturele context wordt een mens zo gezien en behandeld. Zou in deze definitie van ‘persoon’ geen enkel geweld zitten? Tijdens het lezen van het hoofdstuk over religie moest ik toch wel even slikken bij de passages over besnijdenis en clitoridectomie. In het culturele perspectief van de Ubuntu-levensfilosofie is het kennelijk geen geweld, in het perspectief van de Westerse Verlichting wel. Ik zeg niet wat ‘objectief’ beter is; ik wil hier alleen erop wijzen dat er ook in de Ubuntu-zienswijze een ‘persoon’ is gedefinieerd (d.w.z. afgebakend; ingesloten / uitgesloten). Wellicht heeft de Ubuntu-opvatting van ‘persoon’ voordelen boven de moderne Westerse. Maar misschien omgekeerd ook?

Is het zo, dat de Westerse rechtspersoon niets van ‘levende en geleefde ervaring’ in zich heeft? De abstractie die in het moderne Westerse recht voltrokken wordt, bestaat erin dat er rechten gedefinieerd zijn die voor iedereen in het juridische gebied gelden. Uit oogpunt van rechtvaardigheid. Betekent dat ook perse in de praktijk van de rechtspraak, dat de concrete persoon die berecht wordt, als object beschouwd en behandeld wordt? Dat kan gebeuren, maar niet perse. Als het goed is, zijn er in de rechtszaal twee mensen met elkaar in gesprek. De ene heeft iets gedaan wat in strijd is met de wet (als de officiële normen en waarden van het land), de andere past deze wet toe. Is de rechter perse zonder gevoel en mededogen? Is de beklaagde perse object wiens geschiedenis, motieven en gevoelens (‘een persoon met levende en geleefde ervaringen’) genegeerd wordt. Ik denk dat in ons rechtsgevoel het een niet zonder het andere gaat.

Ja, inderdaad, de moderne Westerse rechtspersoon is een abstractie: om iedereen gelijk te kunnen beoordelen en behandelen, is er een wet nodig die voor iedereen geldt en een rechtspraak voor wie iedereen gelijk is. Deze gelijkheids- en rechtvaardigheids-abstractie maakt het in principe mogelijk dat de hele persoon gezien kan worden, ongeacht ras, leeftijd, sociale klasse, geloof, e.d.

Zijn de Ubuntu-nadruk op levende en geleefde ervaring en de ‘hele persoon’ enerzijds en de moderne Westerse nadruk op gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid met elkaar in strijd? Lijkt mij niet. Abstractie kan (ook) positief uitvallen voor de hele persoon en de hele gemeenschap.

Als abstractie geweld is ten opzichte van het concrete / levende, is het geweld van de abstractie dan altijd slecht, iets dat we niet moeten willen? Is de abstractie van de concrete raciale kenmerken e.d. juist niet goed voor iemand? Kan het geweld van de abstractie dus niet ook een bevrijding zijn - bevrijding van racisme, seksisme, vreemdelingenhaat, etc etc? (Spinoza en Foucault dachten van wel.)