Commentaar van Linda

Om het verschil tussen Westers en Afrikaans denken te vergelijken, hanteert Ramose een dualistische – en in zijn bewoordingen dus Westerse – benadering. Hij maakt zich schuldig aan wat hij het Westerse denken verwijt, namelijk een fragmentarische en dualistische benadering. Het zou lovenswaardig zijn als hij over de Ubuntu-filosofie kan vertellen op een holistische, procesmatige en verbindende wijze. Een wijze die de kracht van Ubuntu toont en meteen duidelijk maakt op welke manier dit verschilt van onze Westerse benadering. In dat geval zouden we beter zich krijgen op hoe het Ubuntu denken werkt. In plaats daarvan vertelt hij over Ubuntu met een Westerse bril op. Dit maakt het weliswaar toegankelijk voor Westerlingen, maar ik wil die Westerse bril juist afzetten om plaats te maken voor de Afrikaanse benadering.

Om me te kunnen verplaatsen in het Afrikaanse wereldbeeld, dien ik me los te maken van mijn wereldbeleving. Om daar te geraken, heb ik mijn voorstellingsvermogen nodig, waardoor ik nooit zeker ben of het belevingsbeeld dat ik te pakken heb overeenkomt met het belevingsbeeld van
Ramose. Dat is wat het lezen van Ramoses’ boek boeiend maakt. Deze spanning zorgt ervoor dat ik telkens van positie wissel terwijl ik lees. Er is de spanning om mijn wereldbeeld los te laten, de poging om me te verplaatsen in het wereldbeeld van de ander en de onzekerheid of deze
verplaatsing wel overeenkomt met de plaats die Ramose inneemt.

Tijdens dit telkens verplaatsen word ik me meer en meer bewust van mijn positie en waarden, waarin autonomie en overgave prevaleren; een paradox die voortdurend bevestigd wordt in mijn bestaan. Autonomie betekent voor mij niet de weg gaan die ik gekozen heb, maar de weg gaan die naar me toe komt. Voor mij is het procesmatige karakter – het wordende zijn waar Ramose over spreekt - van ontwikkeling inherent aan het bestaan; een visie die volgens mij niet veel verschilt met die van Derrida of Herakleitos. Dit boek is dan ook een zoektocht waarin overeenkomsten en verschillen, herkennings- en aanknopingspunten eraan bijdragen dat ik zowel de ander als mezelf beter leer kennen.

Linda Lenssen (deelneemster filosofie-groep in Horst)

Symbolische werkelijkheid

Als ik op straat loop, verkeer ik in een fysieke wereld. Ik ben een ademend en stofwisselend organisme, beweeg me op het aardoppervlak door de dampkring. Dankzij mijn zintuigen en hersenen neem ik deze wereld waar en ben ik me bewust van mijn aanwezigheid.

De straat is geasfalteerd, het fietspad is gemarkeerd door witte strepen, de stoep van tegels is iets hoger.
Maar de straat is niet alleen deze materie. De witte strepen zijn weliswaar geverfd, maar dat is niet het belangrijkste ervan. Het zijn tekens, symbolen waarvan wij de betekenis kennen: ze markeren de strook die voor fietsers bestemd is. Dankzij borden weten we dat auto's hier niet harder dan 30 km per uur mogen rijden en dat er aan beide kanten niet geparkeerd mag worden.
De straat is een fysieke realiteit, maar vooral ook een symbolische werkelijkheid. Zozeer zelfs, dat er een strafsysteem (ook een en al symboliek) aan is verbonden en we boetes kunnen krijgen als we te hard rijden of de auto langs de stoep parkeren.

Denk ik al wandelend aan mijn overleden moeder en zie haar voor me, dan wordt de fysieke/symbolische realiteit doorkruist door deze innerlijke symbolische wereld van mijn herinneringen aan mijn moeder en de bijbehorende gevoelens en stemmingen. Ik kan zelfs tegen haar praten en het gevoel hebben dat ik een antwoord krijg.
In onze Westerse cultuur is het 'gezond' wanneer ik me ervan bewust ben en blijf dat de symbolische wereld van de herinnering slechts een innerlijke voorstelling is en de fysiek-symbolische buitenwereld dominant blijft in mijn besef van werkelijkheid en aanwezigheid. Ook de symbolische werkelijkheid van de straat blijft steeds kleven aan de fysieke, materiële realiteit van de straat.

Als ik Ramose goed begrijp, is in de Bantoe-culturen de symbolische werkelijkheid dominanter dan bij ons. Mijn moeder zou veel 'werkelijker' aanwezig zijn dan ze voor mij was. De 'levenden-doden' zijn niet anders aanwezig als mijn moeder, maar in een Bantoe-gemeenschap is hun aanwezigheid 'werkelijker', dominanter. In hun werkelijkheidsbesef domineert de symbolische werkelijkheid de fysieke realiteit.

Dialoog

Ubuntu-filosofie, zoals Ramose die ons ontsluiert, is doordrenkt van gemeenschap. Persoon word je door opgenomen te worden in de gemeenschap van zowel de levenden als de levenden-doden (middels de inwijdingsrite).

In het moderne en post-moderne Westen is het eerder zo dat je persoon wordt door van de gemeenschap los te komen. Bij ons is volwassen worden juist 'individuatie'. De band met de traditie komt onder druk te staan en de ideologie is dat ieder zichzelf zal moeten ontwerpen (Sartre).

Nietzsche verwoordde het verval van de religieuze waarheid in het Westen met de slogan 'de dood van God' (en 'wij hebben hem zelf vermoord!'). Dat wij mensen de waarheid zelf maken, zoals de ubuntu-visie luidt, weten wij sinds Nietzsche ook. Maar terwijl de Ubuntu/Bantoe-gemeenschappen geworteld blijven in de gemeenschap en haar traditie, ontberen wij in het (post)moderne Westen steeds meer deze warme deken van de oude verhalen en waarheden. Onze verhalen zijn niet vanzelfsprekend meer, ook (of juist) niet als collectieve verhalen. 'Ieder zijn eigen waarheid.'

Maar kennelijk (...) kan niemand zonder die verhalen en het geloof in hun waarheid (hoe dan ook). Hoe doen wij dat dan? Als ze niet meer traditioneel gegeven zijn, zullen we ze zelf moeten verzinnen - in dialogen. De gemeenschap als dialogische schepper van haar (zoals altijd fictieve) verhalen. Dat is toekomstmuziek. Vooralsnog heersen nog de absolute verhalen (zoveel fundamentalismen nog, zoals tegenwoordig ook de wetenschappelijke varianten) en de al te relativistische verhalen ('ieder zijn eigen waarheid').

We leven in verhalen

Om te begrijpen wat Ramose zegt over de 'levenden-doden', is de passage over waarheid heel belangrijk:

'Mensen zijn niet gemaakt door de waarheid. Zij maken de waarheid zelf.' (P. 43)


Met 'mensen' is in de Ubuntu-context steeds bedoeld: de gemeenschap, niet de individuele mens op zich.

'Zo gezien is de waarheid iets waaraan men participeert en waar men interactief mee bezig is. Ze heeft te maken met actieve, voortdurende kritische waarneming die tot actie leidt. Als zodanig is ze niet absoluut, maar relatief.' (P. 43)


We leven in een werkelijkheid die op zich niet voor ons kenbaar is ('ubuntu'). Voor zover ze wel kenbaar is, is ze ons eigen verhaal ('umuntu'). We leven (in) onze eigen verhalen van de werkelijkheid.

Dit betekent dat ook de 'onzichtbare wezens' - de 'levenden-doden' en 'degenen die nog geboren moeten worden' (p. 44) - fenomenen in onze verhalen zijn. Ze bestaan 'echt' voorzover ze in onze verhalen bestaan.

Over het domein van de onzichtbare wezens 'kan alleen worden gesproken door de levenden. Het onbekende blijft aan de kant van de levenden onbekend. Maar men gelooft erin, en op grond van dat geloof heeft het een rechtstreekse invloed op het leven van de levenden.' (P. 44)


Men gelooft erin ...

Het geloof in de 'levenden-doden' is zinvol voor de gemeenschap. De overledenen horen erbij omdat ze de wortels zijn waarop de levenden staan.' (P. 70)
De nauwe relatie tussen de levenden en hun voorouders ...

'... duurt voort zolang de voorouder voortleven in de herinnering van de levenden.' (P. 71)


De 'levenden-doden' waren ooit deel van de gemeenschap en blijven deel uitmaken van de gemeenschap voorzover en zolang ze door de levenden herinnerd worden. Ze zijn 'metafysische' werkelijkheid (p. 45), een verhaal dat als ritueel gepraktiseerd wordt en als zodanig zin heeft.