Abstracte ruis in onze ervaring

Wat mij bijzonder goed bevalt in Ramose's karakterisering van ubuntu, is zijn nuchtere en pragmatische benadering van de 'geestelijke wereld'.
In verband met de 'levende doden' benadrukt hij steeds dat het om een geloof gaat. Ten eerste wordt een gestorvene alleen een levende dode, als hij of zij (1) als jongere geïnitieerd is (besnijdenis of clitoridectomie) en (2) door de levenden herinnerd wordt. Wanneer na een paar generaties niemand zich nog voorouder X herinnert, is deze geen levende dode meer. Als levende doden zijn levende doden fenomenen in de ervaringswereld van de levenden. Ooit waren zij levenden, van vlees en bloed, lid van deze gemeenschap, maar nu leven ze nog slechts voorzover en voor zolang de levenden nog een voorstelling van hen hebben.

Naast deze nuchtere kijk, is er de pragmatische benadering. De levende doden hebben namelijk een praktische functie in het dagelijks leven van de gemeenschap. Zij 'belichamen' de traditie in een cultuur die gebaseerd is op de continuïteit van haar traditie. Daarom moeten jongeren 'zich offeren' aan de levende doden. En daarom wordt bij psychische ziekte eerst nagegaan of de zieke wellicht tegen de traditie gezondigd heeft, dat wil zeggen waarden en normen van de gemeenschap heeft geschonden.

Het draait allemaal om de culturele traditie van de gemeenschap: hoe 'wij' in deze gemeenschap de wereld en het mens-zijn verklaren (ubuntu-umuntu) en welke waarden en normen 'wij' aan de wereld en de mensen toekennen. Dit zijn abstractie: het zijn geen eigenschappen van de dingen; ze worden door de mensen, d.w.z de gemeenschap in haar geschiedenis, toebedeeld aan de wereld en aan de verschijnselen in de wereld.
In de Afrikaanse cultuur die Ramose schetst, is dit 'toebedelen' niet zozeer theoretisch - in de zin van theologie en wetenschap - aalwel verankerd in het handelen: in rituelen.

In feite heeft Ramose het over wat ik vaak de 'semantische aura' noem. Het zijn de abstracte projecties die onze waarneming en ervaring kleuren. We ervaren niet zomaar 'de werkelijkheid' zoals deze 'objectief', van zichzelf is. Wanneer we waarnemen en ervaren zit daar de nodige ruis in: de culturele abstracties die wij per socialisatie geleerd hebben en voortdurend projecteren op de wereld waarin we ons bewegen en die we waarnemen en ervaren.

In de Westerse cultuur bestaat al heel lang het besef van deze abstracte ruis: Plato's metafoor van de grot.