De kern van ubuntu

In alles wat ik over ubuntu lees, ligt steeds de nadruk op menselijkheid. Het wordt gepresenteerd als een moreel principe: ‘jouw menselijkheid bestaat erin dat je de menselijkheid van anderen (h)erkent’. Dit associeert met: respect, gastvrijheid, zorg, gezamenlijkheid, e.d.

Deze morele en sociale levensvisie bevat een opvatting van ‘persoon’ die contrasteert met de visie op persoon en individu zoals die in het Westen met name sinds de Verlichting populair is. In de ubuntu-visie ben je een persoon door deel te nemen aan de gemeenschap. Ik-zijn betekent dus wij-zijn. Het Moderne Westerse individu identificeert zich juist los van de gemeenschap als een zelfstandig wezen (in-dividu, ongedeeld en op zichzelf). De gemeenschap ontstaat vanuit de individuen, doordat zij onderling een contract aangaan (Spinoza; Rousseau).

Het Westers individu is dus niet per definitie a- of anti-sociaal. Het sociale komt tot stand per contract, en is daarmee dus niet vanzelfsprekend (wat tegenwoordig in de massa-samenleving dan ook een probleem vormt). Het sociale contract is geïnstitutionaliseerd in wetgeving, beroepsgroepen en sociale instituties.

Bij Ramose vinden we de sociaal-morele duiding van ubuntu ook nadrukkelijk terug. Echter, daarnaast legt hij grote nadruk op het religieuze aspect van de voorouderverering, de ‘levende doden’. Juist in deze context schrijft hij kritiekloos over mannen- en vrouwenbesnijdenis. Ik zie geen reden om aan te nemen dat besnijdenis persé een acceptabele praktijk is in de ubuntu-levensstijl. Ik schrijf het dus op Ramose’s conto.